De stad Reijmerswael

Uit: "Een verdronken stad - Reimerswaal. Tentoonstelling Rijksarchief  Zeeland 20 december 1971 t/m 19 februari 1972"
(Middelburg 1972).

 

 

Opkomst tot 1373

 

De naam Reijmerswael wordt voor het eerst vermeld in 1203 als er sprake is van de getuige Witte de Reijmerswael.  In 1239 was Reijmerswael zo belangrijk, dat de verkozen bisschop Otto III van Utrecht er een oorkonde uitvaardigde.

In 1292 zag Floris V iets in de handelsnederzetting aan de (Ooster)Schelde en kocht daarom landerijen bij Reijmerswael.

In 1299 werd een koopman uit Reijmerswael in Engeland gesignaleerd.

Het oudste privilege voor Reijmerswael dateert van 1315 toen graaf Willem III de plaats het voorrecht schonk dat alle goederen die naar Brabant in- of uitgevoerd werden, eerst op de donderdagmarkt te Reijmerswael gebracht moesten worden.

Dit is het begin van een lange reeks voorrechten zoals tolvrijheid, twee jaarmarkten, en het privilege dat de provisor (geestelijke rechter) van Zuid-Beveland in Reijmerswael rechtszitting moest houden. Het hoogtepunt van deze ontwikkelling was de stadsrechtverlening op 1 april 1375.

Zoals gezegd was de Hollandse graaf al in 1292 geďnteresseerd in Reijmerswael. Hij kocht 64 gemeten land. In 1331 blijkt het eigendom van de graaf al twee keer zo groot te zijn. Hij bezat in die tijd o.a. de watermolen, de zuid-windmolen en de west-windmolen .

De grootste ambachtsheren ter plaatse waren echter de heren van Reijmerswael. Zij woonden op het kasteel van Lodijke, dat sinds 1365 in leen werd gehouden van de Hollandse graaf.

Omdat de provisor van Zuid-Beveland in Reijmerswael zitting moest houden, was de post van pastoor in de hoofdstad van Zuid-Beveland een belangrijke  zaak.

 

 

Bloei 1373- 1530

 

De graaf verloor zijn belangstelling niet en kocht in 1380 het Ambacht in de stad. Sindsdien is Reijmerswael een grafelijke stad, wat tot uiting komt in het stadswapen, dat behalve het oorspronkelijke zwaard, als schildhoofd het wapen van graaf Albrecht van Beieren draagt (net als Goes, dat ook het wapen van Beieren als schildhoofd heeft).

Al in 1368 mocht Reijmerswael voorgeboden maken, een soort politie- verordening. In 1402 blijken zij er inderdaad te zijn.

Deze voorgeboden beginnen met de bepaling dat elke scheldende vrouw beboet wordt met 1 pond of veroordeeld tot het dragen van de steen. In 1470 scheldt een vrouw een andere vrouw uit en wordt zij veroordeeld tot het dragen van de steen door de stad. Op elke hoek moet zij roepen :  "Beste mensen, ik heb haar uitgescholden, maar ik heb gelogen, ik weet niet beter of zij is een goede vrouw". Bovendien moest zij voor straf een bedevaart naar Aken doen en daarnaast nog 2 roeden muur metselen.

Een zware straf. Het volbrengen van een bedevaart als straf kwam in die tijd veel voor. Soms werd iemand zelfs veroordeeld om twee bedevaarten na elkaar te doen. Erg geliefde plaatsen waren Wilsenaken (in Oost-Duitsland) Santiago de Compostella (in Noord-Spanje) en natuurlijk Rome. Keulen spant echter de kroon met 20 bedevaarten tussen 1438 en 1540, waarvan 10 in 1446.

Er is nog veel materiaal voorhanden over de strafrechtpraktijken  in Reijmerswael. De baljuwrekeningen van l431 tot 1570 zijn bijna compleet bewaard gebleven. De baljuw van een stad was een ambtenaar, benoemd door de graaf, die belast was met het opsporen van misdaden, het berechten van misdadigers en het ten uitvoer brengen van de straffen. Dit laatste vermeldde hij in zijn rekeningen. Merkwaardige straffen kwamen voor:

De man, die in 1525 een stadszegel van den zoute van een zoutcertificaat trok en dat bevestigde aan een door zijn knecht geschreven nieuw certificaat, werd veroordeeld om op een schavot te staan en met het zegel van den zoute op zijn wang te worden gebrandmerkt.

En de man die in 1481 zelfmoord pleegde door in een put te springen werd veroordeeld om gehangen te worden aan een mik tot afschrikwekkend voorbeeld.

 

Tijdens de bloei-tijd was Reijmerswael een levendige handelsstad. Een soort voorhaven van Antwerpen. Alle schepen die destijds naar Antwerpen voeren kwamen langs Reijmerswael en even verder voorbij de tol van lersikeroord. Het was ook een stemhebbende stad in de Staten van Zeeland. Het was de hoofdstad van ZuidBeveland en de derde stad van Zeeland. De vijf stemhebbende steden waren Middelburg, Zierikzee, Reijmerswael, Tholen en Goes.

Niet alleen de provisor van Zuid-Beveland moest in Reijmerswael zitting houden, ook de onderdijkgraaf van Zuid-Beveland beoosten Yerseke moest in Reijmerswael wonen.

De kerk van Reijmerswael deelde in de bloei. Het werd in 1431 een kapittelkerk met 10 kanunniken en een deken. Vlak bij de kerk was het klooster van de Zwarte of Cellezusters. Buiten de stad was nog het Windesheimerklooster “Onzer Vrouwen Paradijs” voor reguliere kanunniken.

Er waren 17 gilden, waarvan drie schuttersgilden. Het oudste gilde was dat van de drapeniers, opgericht in 1363. De wolnijverheid bestond trouwens al in 1285.

Behalve de ups waren er in Reijmerswael ook downs. In 1450 was er een grote brand waarbij alle zoutketen en een groot deel van de stad in de as werd gelegd. Er werden uitgebreide voorzorgsmaatregelen getroffen om herhaling te voorkomen zoals blijkt uit de voorgeboden van 1494.

In 1477 klaagt de stad er nog over erg arm te zijn, maar spoedig daarna maakt Reijmerswael financieel weer een goede indruk. De stad krijgt in begin van de 16e eeuw nog veel voorrechten.

De kroniekschrijvers vermelden in het jaar 1454 een volksoproer, waarbij de magistraat de stad uitgedreven werd. Toen Karel de Stoute, als regent voor zijn vader, deze oproer kwam onderdrukken, zouden de stedelingen hem blootshoofds en barrevoets tegemoet zijn gegaan om genade af te smeken.

 

 

Ondergang 1530-1631

 

De gebeurtenis die definitief een eind maakte aan de mogelijkheid voor Reijmerswael om ooit weer tot bloei te komen, was de St.Felixvloed op 5 november 1530. Door deze ramp ging het oostelijk deel van Zuid-Beveland verloren. Ondank indrukwekkende pogingen tot herbedijking bleef het overstroomd gebied. Het hoger gelegen Reijmerswael bleef als een eilandje achter. Tot overmaat van ramp brak ook de pest nog uit.

Niet alleen had Reijmerswael door deze ramp het economisch noodzakelijke achterland verloren, maar werd de stad van alle kanten door het water bedreigd. In 1552, 1555, 1557, 1561 , 1563, en nog vaker, braken de dijken. Vanaf 1548 tot 1626 hebben de verschillende besturen van Zeeland jaarlijks bijgedragen in het onderhoud van de dijkwerken. Echter tevergeefs.

Toch was het leven niet geheel zonder genoegen. Voorlopig bleef de provisor in Reijmerswael zetelen. Eens in de twee weken hield hij echter ook zitting in Goes. Hoogtepunt in deze periode was de feestelijke inhuldiging van Philips II als graaf van Zeeland in 1549. Kosten noch moeite werden gespaard om dit uitbundig te vieren.

In 1566 zijn ook de beeldenstormers in Reijmerswael uitbundig. De magistraat van de stad onderdrukt echter hun geweld en blijft trouw aan de Katholieke kerk.

In januari 1574 wordt ter hoogte van Reijmerswael een zeeslag geleverd tussen de Watergeuzen en de Spanjolen. De Watergeuzen winnen en steken vervolgens de stad in brand.

De bevolking wijkt uit en vooral de gegoede burgers vertrekken voorgoed. Ook het landrecht over Zuid-Beveland, de protestantse opvolger van de provisor zetelt nu in Goes en de stad houdt op stemhebbende te zijn.

In 1578 wordt echter weer een magistraat aangesteld. Reimerswaal was een vissersplaatsje geworden en de vissers verkrijgen in 1579 het recht om, met uitsluiting van anderen, te vissen op het verdronken land van Zuid-Beveland. In die tijd was de weervisserij al belangrijk , wat blijkt uit de voorgeboden van 1564. De weervisserij op ansjovis geschiedde met behulp van V-vormige

houten staketsels. De punt van de V stond in dieper water dan de benen, zodat bij eb de vis naar de punt gedreven werd en dan gemakkelijk te vangen was.

De vreugde van het vissen duurde voor de Reijmerswaelenaars niet lang, want nog hetzelfde jaar werd in de satisfactie van Bergen op Zoom hun exclusieve recht ongeldig verklaard. Dit betekende voor de vissers in dit gebied tot in 1828 ruzie en processen, voornamelijk tussen de Bergse en Thoolse vissers.

De 80-jarige oorlog is Reijmerswael fataal geworden. De Staten van Zeeland voelden er in deze dure oorlogstijd weinig voor om nog langer geld in de dijken te steken. Bij elke storm werden de dijken beschadigd en bleek de eerder gedane moeite tevergeefs. In 1625 besloot men voor het laatst 1200 gulden te besteden aan het herstel.

In 1629 vertrok de dominee naar Schakerlo op Tholen en spoedig verliet de hele bevolking Reijmerswael. Een gedeelte ging naar Bergen op Zoom en naar Yerseke, maar de meesten gingen in Tholen wonen.

Op 20 maart 1631 blijkt Reijmerswael verlaten. Men besloot een aantal krijgsgevangen Spanjaarden in de leegstaande huizen onder te brengen.

In 1632 werden de straatstenen en de opstal publiek verkocht en in 1634 werden de schuldeisers van de stad van de opbrengst betaald.

Hiermee is het bestaan van de stad Reijmerswael niet helemaal beëindigd. Nog in 1732 werden de overgebleven straten en gorzen van Reijmerswael verpacht door de stadhouder van Wolphaartsdijk, die ook baljuw van Reijmerswael was en tot in 1828 zijn er ambachtsheren van Reijmerswael, die opkwamen voor hun visrechten.

 

 J. Schuyf, C. van Heel